Na
Dodo’s overlijden wordt het rentmeesterschap geërfd door de zoon van Albrecht,
Wouter I van Egmond, bijgenaamd de Quade, die na zijn geslaagde kruistochten
als eerste de titel van ridder mag voeren. Ook hij heeft met de
monniken van de Abdij niet veel op en maakt onder meer een einde aan het
visrecht. Elke
tiende vis moet voortaan naar het kasteel worden gebracht in plaats van naar de
abdij. Hij belandt in een strijd met graaf Lodewijk van Loon die nauwe banden
heeft met de abdij. Hij ontvoert diens vrouw gravin Ada naar Terschelling en
laat haar inschepen naar Engeland. De graaf van Loon laat in 1203 uit
wraak Wouters
kasteel in de brand steken. Wouter verdenkt daar dan weer
de monniken van en in de kerstnacht trekt hij met zijn krijgsvolk naar de abdij
en raakt slaags met de kloosterknechten.
De krijgers steken een molen
in brand en de grafelijke stallen. Kwade Wouter bouwt een nieuw en groter
kasteel, maar zelf heeft hij daar weinig aan want hij overlijdt in 1208 op
veertig jarige leeftijd.