Wouter I van Egmond (1158 – 1208)

Na Dodo’s overlijden wordt het rentmeesterschap geërfd door de zoon van Albrecht, Wouter I van Egmond, bijgenaamd de Quade, die na zijn geslaagde kruistochten als eerste de titel van ridder mag voeren. Ook hij heeft met de monniken van de Abdij niet veel op en maakt onder meer een einde aan het visrecht. Elke tiende vis moet voortaan naar het kasteel worden gebracht in plaats van naar de abdij. Hij belandt in een strijd met graaf Lodewijk van Loon die nauwe banden heeft met de abdij. Hij ontvoert diens vrouw gravin Ada naar Terschelling en laat haar inschepen naar Engeland. De graaf van Loon laat in 1203 uit wraak Wouters kasteel in de brand steken. Wouter verdenkt daar dan weer de monniken van en in de kerstnacht trekt hij met zijn krijgsvolk naar de abdij en raakt slaags met de kloosterknechten.

De krijgers steken een molen in brand en de grafelijke stallen. Kwade Wouter bouwt een nieuw en groter kasteel, maar zelf heeft hij daar weinig aan want hij overlijdt in 1208 op veertig jarige leeftijd.