Willem
was een zoon van Jan II van Egmont en een jongere broer van Arnold van Egmont,
hertog van Gelre. Willem die in 1444 van zijn broeder de heerlijkheid Mechelen
had gekregen, moest deze in 1459, nadat er een twist was ontstaan over het
rechtmatige van het bezit, overlaten aan de maarschalk van Brabant, Jan heer
van Wesemael, die Mechelen bij zijn dood (1462) aan Karel den Stoute naliet.
Hij ging met zijn broers samen met een groot gevolg naar het Heilige land
(1458-1464) en werden op deze reis te Rome door paus Pius II plechtig
ontvangen. Hoewel hij in 1452 tot raadsheer bij het Hof van Holland was
benoemd, verbleef hij meestal in Gelre, waar hij zijn broer steunde in zijn
conflicten met diens zoon Adolf van Egmont. Nadat Adolf zijn vader had
opgesloten, voerde Willem de pro-Bourgondische partij aan.
Toen
de Bourgondische hertog Karel de Stoute in 1473 de macht in Gelre verwierf,
benoemde hij Willem tot stadhouder. Deze voelde zich echter te oud voor het
ambt. Later zou zijn gelijknamige zoon eveneens stadhouder worden van Gelre. In
1477 nam Maria van Bourgondië Willem op in haar Grote Raad. Heer Willem was in
1478 op het kapittel te Brugge ridder van het Gulden Vlies gemaakt.