bijgenaamd
Jan met de Bellen, wegens een met bellen versierd harnas, zoon en leenvolger
van Arent . Evenals zijn vader zal hij in twist zijn geraakt met graaf Willem
VI, daar hij zijn leven lang de Kabeljauwse tradities van zijn geslacht volgde;
in 1408 (24 Juni) bezegelde hij de brief, waarbij zijn vader zich met de graaf
verzoende. Na de dood van zijn vader in 1409 volgde
hij deze in de Egmondse en IJselsteinse bezittingen op en werd aldus een van de
machtigste edelen in het graafschap. Kort daarna trouwde hij met Maria van
Arkel. Dit huwelijk met een dochter uit het geslacht, dat aan het hoofd stond
van de Kabeljauwse partij en dus van het verzet tegen Willem VI, zou voor heer
Jan grote gevolgen hebben.
Voorlopig bleef Jan nog
raadsheer van de graaf van Holland en deed deze uitspraak in de twisten tussen
de heer van Egmond en de abdij. Een jaar na hun trouwen keerde Arkel en Gelre
zich wederom tegen Holland, maar de vrede werd spoedig gesloten, zodat de
verhouding met Egmond goed bleef. Wel had graaf Willem vernomen, dat sommige
van zijn edelen hem wilden doden en daagde in 1414 heer Jan van Egmond. Jan gaf
daaraan geen gevolg, de zaak bleef hangende, maar hij schijnt het veiliger
gevonden te hebben het land te verlaten en een wijkplaats te zoeken in Luik,
vanwaar hij 15 Maart 1416 aan de graaf een brief zond. Zes weken later (op 5
Mei 1416) beval Willem VI de Egmondse goederen in beslag te nemen. Overal
werden nu bewaarders en rentmeesters aangesteld, een krijgstocht tegen
IJselstein uitgeschreven, maar kort daarop volgden een verzoening én de dood
van Egmond's vijand Willem VI. Intussen was heer Jan in nieuwe twisten geraakt
met het klooster te Egmond en had de abt Gerard van Ockenberg gedwongen de wijk
te nemen naar Utrecht, terwijl hij Jan van Beieren ertoe bracht bij het
pauselijke hof een klacht tegen de abt en de kloosterlingen in te dienen.
Terwijl dit nog hangende was, overleed abt Gerard (1424) en werd opgevolgd door
Willem van Matenesse, die door den heer van Egmond gevangen werd gezet op het
kasteel Rosendaal bij Arnhem en vervangen werd door Gijsbert van Vliet, een der
creaturen van heer Jan. Abt Gijsbert moest echter in 1427 het veld ruimen voor
Matenesse, die later een compromis met de heer van Egmond zou sluiten.
In de troebele tijden, waarin
Holland in dit tijdperk verkeerde, schijnt heer Jan grote sommen aan de
landsheren te hebben voorgeschoten, zodat hij het slot en de heerlijkheid
Leerdam, benevens Buren in bezit kreeg en in 1429 met Philips van Bourgondië
een afrekening maakte, waarbij de schuld aan Jan op het aanzienlijke bedrag van
40.000 schilden bepaald werd. Na nog allerlei twisten met het klooster werd eindelijk
in 1439 tussen hem en abt Willem van Matenesse een zoen getroffen, onder
goedkeuring van paus Eugenius IV, uitgesproken door den hertog van Bourgondië.
De heerlijkheid van Egmond werd daardoor geheel van het klooster afgescheiden,
onder protest echter van de abt. De twisten duurden dan ook nog jaren lang
voort, hetgeen nog verergerd werd door onenigheden onder de kloosterbroeders.
Heer Jan liet in 1430, om het aanzien van de kloosters te
verzwakken de kapel afbreken en opnieuw en groter herbouwen. Ook liet hij zes
kanunniken komen om de koorgebeden en de eredienst te doen. Hierdoor werd het
slot onafhankelijk van de abdij waarmee de graven in onmin leefden. Jan met de
Bellen overleed op 4 januari 1451 en is in de Slotkapel begraven. Zijn grafsteen is nog goed zichtbaar in de
kapel. Zijn kleinzoon Jan liet boven zijn graf een tombe oprichten. Maria van
Arkel, overleed zeer jong op 19 Juli 1415 en werd op het koor van de kerk te
IJselstein begraven. Zij liet haar man twee kinderen na: Arnoud, hertog van
Gelre, en Willem.