Jan II van Egmond (1384 -1451)

bijgenaamd Jan met de Bellen, wegens een met bellen versierd harnas, zoon en leenvolger van Arent . Evenals zijn vader zal hij in twist zijn geraakt met graaf Willem VI, daar hij zijn leven lang de Kabeljauwse tradities van zijn geslacht volgde; in 1408 (24 Juni) bezegelde hij de brief, waarbij zijn vader zich met de graaf verzoende. Na de dood van zijn vader in 1409  volgde hij deze in de Egmondse en IJselsteinse bezittingen op en werd aldus een van de machtigste edelen in het graafschap. Kort daarna trouwde hij met Maria van Arkel. Dit huwelijk met een dochter uit het geslacht, dat aan het hoofd stond van de Kabeljauwse partij en dus van het verzet tegen Willem VI, zou voor heer Jan grote gevolgen hebben.

Voorlopig bleef Jan nog raadsheer van de graaf van Holland en deed deze uitspraak in de twisten tussen de heer van Egmond en de abdij. Een jaar na hun trouwen keerde Arkel en Gelre zich wederom tegen Holland, maar de vrede werd spoedig gesloten, zodat de verhouding met Egmond goed bleef. Wel had graaf Willem vernomen, dat sommige van zijn edelen hem wilden doden en daagde in 1414 heer Jan van Egmond. Jan gaf daaraan geen gevolg, de zaak bleef hangende, maar hij schijnt het veiliger gevonden te hebben het land te verlaten en een wijkplaats te zoeken in Luik, vanwaar hij 15 Maart 1416 aan de graaf een brief zond. Zes weken later (op 5 Mei 1416) beval Willem VI de Egmondse goederen in beslag te nemen. Overal werden nu bewaarders en rentmeesters aangesteld, een krijgstocht tegen IJselstein uitgeschreven, maar kort daarop volgden een verzoening én de dood van Egmond's vijand Willem VI. Intussen was heer Jan in nieuwe twisten geraakt met het klooster te Egmond en had de abt Gerard van Ockenberg gedwongen de wijk te nemen naar Utrecht, terwijl hij Jan van Beieren ertoe bracht bij het pauselijke hof een klacht tegen de abt en de kloosterlingen in te dienen. Terwijl dit nog hangende was, overleed abt Gerard (1424) en werd opgevolgd door Willem van Matenesse, die door den heer van Egmond gevangen werd gezet op het kasteel Rosendaal bij Arnhem en vervangen werd door Gijsbert van Vliet, een der creaturen van heer Jan. Abt Gijsbert moest echter in 1427 het veld ruimen voor Matenesse, die later een compromis met de heer van Egmond zou sluiten.

In de troebele tijden, waarin Holland in dit tijdperk verkeerde, schijnt heer Jan grote sommen aan de landsheren te hebben voorgeschoten, zodat hij het slot en de heerlijkheid Leerdam, benevens Buren in bezit kreeg en in 1429 met Philips van Bourgondië een afrekening maakte, waarbij de schuld aan Jan op het aanzienlijke bedrag van 40.000 schilden bepaald werd.  Na nog allerlei twisten met het klooster werd eindelijk in 1439 tussen hem en abt Willem van Matenesse een zoen getroffen, onder goedkeuring van paus Eugenius IV, uitgesproken door den hertog van Bourgondië. De heerlijkheid van Egmond werd daardoor geheel van het klooster afgescheiden, onder protest echter van de abt. De twisten duurden dan ook nog jaren lang voort, hetgeen nog verergerd werd door onenigheden onder de kloosterbroeders.

Heer Jan liet in 1430, om het aanzien van de kloosters te verzwakken de kapel afbreken en opnieuw en groter herbouwen. Ook liet hij zes kanunniken komen om de koorgebeden en de eredienst te doen. Hierdoor werd het slot onafhankelijk van de abdij waarmee de graven in onmin leefden. Jan met de Bellen overleed op 4 januari 1451 en is in de Slotkapel begraven. Zijn  grafsteen is nog goed zichtbaar in de kapel. Zijn kleinzoon Jan liet boven zijn graf een tombe oprichten. Maria van Arkel, overleed zeer jong op 19 Juli 1415 en werd op het koor van de kerk te IJselstein begraven. Zij liet haar man twee kinderen na: Arnoud, hertog van Gelre, en Willem.