Ook
het Slot op den Hoef werd door de Spanjaarden geconfisqueerd. Om te voorkomen
dat de Spanjaarden dit strategisch gelegen kasteel daadwerkelijk in handen
kregen, liet Willem van Oranje het Slot op de Hoef in brand steken; er bleef
slechts een ruïne over. De ruïne bleef vervolgens in handen van de heren van
Egmond. Echter aan het begin van de 17e eeuw had Lamoraal II van Egmond
(†1617) zoveel schulden dat de ruïne in 1607 aan de Staten van Holland verviel.
In de loop van de 18e eeuw
wisten de heren van Egmond het kasteel terug te kopen en lieten twee torens
restaureren. Hierna wisselde het kasteel nog een paar keer van eigenaar en, in
1798, werd het zeer bouwvallige kasteel uiteindelijk aan slopers verkocht. De
rentmeestertoren met het gemeente uurwerk van Christiaan Huygens wordt hersteld
maar in 1832 weer halverwege afgebroken. In 1836 was het gehele slot gesloopt,
waarna de fundamenten langzaam onder de stuifzand verdwenen. Dan is er naast de
wel herbouwde Slotkapel weinig meer over dan een stukje ruïnemuur van de
Rentmeestertoren, omgeven door drassig land.
In de jaren 1933 – 1934 laat
grondeigenaar het PWN, die ook het duingebied beheert, in het kader van een
werkverschaffingsproject, de fundamenten van het kasteel droog leggen, opgraven
en weer opmetselen tot vlak boven het maaiveld. Er komen prachtige gebruiks-voorwerpen
tevoorschijn en wapens nog uit de tijd van Kwade Wouter. Ook worden de resten
gevonden van een ronde palissadeburcht, de versterkte hoeve van de
rentmeesters. Het moeras rond de fundamenten wordt weer een echte slotgracht.
Langzaam groeit dan het besef dat hier in het oude Slotkwartier een bijzonder
stuk vaderlandse geschiedenis ligt opgesloten.