De
Erfopvolger van Jan I van Egmond was zijn oudste zoon Arent. Heer Arent was van
de aanzienlijkste Hollandse edelen van het einde van de 14e eeuw.
Hij stond in hoge gunst bij hertog Aelbrecht, onder wiens, evenals zijn vader
was hij vurig Kabeljauwschgezind en in 1379 is hij aanwezig bij de inhuldiging
van de nieuwe bisschop van Utrecht, Floris van Wevelinkhoven. Een jaar later
vergezelde hij de bisschop naar Overijssel om het slot Eerde, dat door de
burchtheer tot een roofnest gemaakt was, te helpen nemen, hetgeen na een beleg
van vijf weken lukte. In de daarop volgende jaren komt heer Arent steeds in de
naaste omgeving van hertog Aelbrecht voor en volgde hem in 1396, 1398, 1399 en
1400 op diens Frieze tochten. In het laatstgenoemde jaar voerde hij, als
‘maerschalck ende beleder van den here’, het bevel over de Hollandse krijgsmacht.
In 1398 werden zijn diensten beloond, doordat hij in het veroverde gebied de
goederen Ameland en het Bilt in leen kreeg. Arent
stond niet alleen als oorlogsman te boek, ook vredesmissies hadden zijn
aandacht. In 1394 stichtte hij buiten de wallen van zijn stad IJselstein een
klooster der Cistercienserorde, genaamd O.L.V. Berg, en in 1398 in de
parochiale kerk van Sint Nicolaas aldaar een kapittel van acht kanunniken. Te
Egmond liet hij de Slotkapel fraaier opbouwen, het kasteel op den Hoef met
nieuwe grachten omringen en van daar een vaart naar Alkmaar graven, nog steeds
bekend als de Hoever vaart.
Evenals zijne voorouders streed ook heer Arent met de abten van
Egmond over verschillende heerlijke rechten, maar hij werd dank zij zijn
vriendschap met de hertog voortdurend door deze in het gelijk gesteld, zodat
hij zelfs van Aelbrecht de hooge heerlijkheid van Egmond in leen kreeg, nadat
de abt die aan de landsheer had opgedragen in 1396. Aelbrecht's zoon Willem VI, die de
Kabeljauwse heer Arent helemaal niet goed gezind was, maakte dit weer ongedaan.
Willem VI ging zelfs zover dat hij al Arent's bezittingen in beslag nam, maar
moest dit in 1408 weer opheffen, toen hij zijn broer Jan in diens strijd met de
Luikenaren te hulp wilde komen en daarvoor de steun van de Hollandse edelen
behoefde. Heer Arent overleed op 9 april 1409 en werd in het door hem gestichte
klooster te IJselstein begraven. Heer Arent liet twee zoons na: Jan II en
Willem.